Vragen van musea

Ik ben voor het Rijksmuseum bezig hun audiovisueel materiaal (bewegend beeld en geluid) te inventariseren met de bedoeling keuzes te maken over bewaren en ontsluiten. Wie heeft hier ervaring mee?”(Josje Schnitzeler)
De culturele sector wordt steeds vaker voor digitale uitdagingen gesteld. Bezoekers willen hun iPhone kunnen gebruiken in het museum. Of ze willen thuis online archiefstukken kunnen inzien. Bovendien is ‘beleving’ in de culturele sector belangrijker geworden. Maar hoe kunnen musea, archieven en andere erfgoedinstellingen effectief gebruik maken van de mogelijkheden van nieuwe media?” (Rowan)

Bovenstaande citaten zijn een willekeurige greep uit recente discussies die gevoerd worden op de LinkedIn groep ‘Erfgoed 2.0′. De uitspraken zijn exemplarisch voor de vragen waarmee museumprofessionals rondlopen. Lees verder…

Ontwikkelingen

Het is een goed gebruik om bij een vraag van een ‘klant’ naar de vraag achter de vraag te zoeken. In de concrete vraag van professionals naar hulp bij de inzet van nieuwe media komen drie ontwikkelingen samen die in samenhang een antwoord behoeven. Lees verder…



Vragen van musea (vervolg)

…Het lectoraat Crossmedia Business en BMC hebben veel contacten in het veld en worden steeds vaker geconfronteerd met deze vragen. Deze vragen worden ook duidelijk gearticuleerd tijdens workshops op de jaarlijkse DEN/DISCH conferentie, en tijdens discussieavonden met het veld zoals georganiseerd middels door bijvoorbeeld de ‘Erfgoed Arena’s’. Ook publicaties van een koepelorganisatie zoals Erfgoed Nederland (2010a/b) articuleren de vraag. Verder zijn de afgelopen jaren voor de Vereniging Science Centra drie meerjarige projecten uitgevoerd met betrokkenheid van het lectoraat en BMC (Publieksannotatie Cultureel Erfgoed, Cultuurwijsheid en Collectie in de Klas). In de evaluatie van deze projecten met de VSC-leden is als thema naar voren gekomen ‘de ondersteuning van de museumprofessional bij de inzet van nieuwe media’. Een jaar geleden is met de gedachtevorming begonnen hier een project rond te formuleren. In continue consultatie met het veld is hieruit uiteindelijk Museumkompas ontstaan.

Ontwikkelingen (vervolg)

…1) de reflectie op de maatschappelijke rol van de eigen instelling, 2) de doorwerking van de digitalisering van collecties, en breder die van de informatisering, en 3) de noodzaak tot eigentijdse sturing op middelen en impact. Deze drie ontwikkelingen vertalen zich in dit voorstel naar drie onderliggende vragen, die we zullen aanduiden als: de wezensvraag, de dienstenvraag en de sturingsvraag.

De drie ontwikkelingen die de uitvoering van de taakstelling van de museumprofessional de afgelopen jaren steeds complexer hebben gemaakt zijn de volgende:

  1. Het publiek is nadrukkelijker dan ooit in beeld gekomen. Individualisering, democratisering en de ‘mondigheid’ van de burger als maatschappelijke ontwikkelingen zijn niet aan het veld van cultureel erfgoed voorbijgegaan. De laatste jaren is er dan ook steeds meer nadruk komen te liggen op het vergroten en verbreden van het publiek van musea, niet alleen als bezoeker maar ook als gebruiker van, en deelnemer aan cultureel erfgoed. In een maatschappelijke context waar steeds meer informatie ‘vrij’, ‘on-demand’ en gepersonaliseerd aanwezig is, verwachten burgers een gelijksoortige dienstverlening van de musea en archieven: de stamboom van de eigen familie, de oude foto’s van de straat, informatie over de favoriete schilder en het zelf kunnen samenstellen van ‘virtuele’ tentoonstellingen, zijn hier voorbeelden van (Van Vliet, 2009). Dit publiek is verre van homogeen samengesteld maar kent een veelvoud aan kenmerken die maakt dat er allerlei deelgroepen zijn te identificeren, van snuffelaars en grasduiners tot diepgravers en snackers (Smit-Kreetz, 2003; Wubs & Huysmans, 2006a/b; Berende, 2007; Huysmans & de Haan, 2007). Het tegemoet komen aan de vragen, wensen en verwachtingen van dit ‘nieuwe’ publiek vergt een andere manier van kijken naar de eigen collectieontsluiting, en breder, naar de positionering van de eigen instelling: Wie zijn we? Wat willen we? Waarin onderscheiden we ons van onze collega instellingen?
  2. Een tweede ontwikkeling die niet voorbij is gegaan aan het cultureel erfgoedveld, is die van de informatisering. Met de toenemende invloed van informatietechnologie en digitalisering is er vanaf de jaren negentig een nieuw elan ontstaan bij musea en archieven om problemen rondom beheer en de slechte toegankelijkheid van de collecties het hoofd te bieden. Dit elan is in de jaren negentig vooral vertaald in activiteiten voor cultuurbehoud c.q. digitale conservering. De inspanningen van de afgelopen vijftien jaar, hebben echter vooralsnog de droom van een ‘Virtuele Collectie Nederland’ niet echt dichterbij gebracht: de digitalisering van de objecten zelf staat in 2008 nog steeds in de kinderschoenen (Veeger, 2008; Weide & de Niet, 2008). Er zijn diverse analyses op papier gezet waarom dit zo gelopen is (zie Van Vliet (2009) voor een overzicht). Het woord visie voert daarbij de boventoon: een visie op wat ICT en digitalisering kan betekenen voor de instellingen en de collecties. Het ontbreekt in den brede aan een uitgekristalliseerd en geformaliseerd beleid met betrekking tot digitalisering en digitale dienstverlening. Inmiddels laten de laatste jaren een verschuiving zien bij de instellingen van aandacht voor basisdigitalisering (inscannen, conserveren) naar het gebruik van digitale middelen voor beter publieksbereik, zoals meer digitale ondersteuning voor bezoekers bij het doorzoeken en ontdekken van collecties. De aandacht mag dan verschoven zijn, het onderliggende probleem van een visie op digitalisering is daarmee niet opgelost. Het probleem van de inzet van meerdere media in de dienstverlening voor de publieksfunctie, in essentie een crossmediale vraag (Van Vliet, 2007, 2009), is er alleen mee ontweken.
  3. Als derde en laatste kan genoemd worden dat binnen de publieke sector de noodzaak groeit om te komen tot eigentijdse vormen van sturing en verantwoording. Waar de onzekerheid groeit over de inkomsten en de wensen van het publiek, groeit ook de noodzaak om hierop waar mogelijk te anticiperen. Langere termijn sturing is bij musea veelal gekoppeld aan collectievorming en inhoudelijke profilering. Verantwoording, zoals bijvoorbeeld gevraagd door gemeenten, vindt alleen op omzet en bezoekersaantallen plaats en ijlt vaak na. Ook de betrokken gemeenten ontbreekt het aan een deugdelijk sturingskader. Net als de rijksoverheid willen gemeentes bevorderen dat de eigen inkomsten toenemen en de subsidieafhankelijkheid van culturele instellingen wordt verkleind. Het gesprek hierover met culturele instellingen en tussen gemeenten onderling komt echter maar moeizaam op gang. In veel gevallen wordt geprobeerd dit op te lossen door musea in de totaliteit van ‘subsidiebeleid’ tot prestatieafspraken te bewegen over bijvoorbeeld omzet, bezoekers aantallen, kwaliteit van de dienstverlening en samenwerking met locale partners of doelgroepen te brengen. Een begrijpelijke weg, die echter niet vruchtbaar zal blijken als er geen dialoog wordt gevoerd over de richting waarin een museum zich wil ontwikkelen versus de richting die een gemeente  voor ogen heeft. Zeker ook wanneer deze dialoog niet gebaseerd wordt op stuurinformatie die aansluit bij de praktijk van de musea.

De vraag van de professional naar het vormgeven van nieuwe diensten met nieuwe media kan niet los worden gezien van deze ontwikkelingen. Het antwoord dient rekenschap te geven van de samenhang van deze vraagstukken: de vraag naar de positionering van de instelling (verder aangeduid als de ‘wezensvraag’), de vraag naar de crossmediale diensten (verder aangeduid als de ‘dienstenvraag’) en de vraag naar de sturing (verder aangeduid als de sturingsvraag’).

Ga door naar Het onderzoek.