Werksessie 2 – Crossmedia Monitor Musea

Vorig jaar is een eerste werksessie gehouden met Hester Gersonius van het Amsterdam Museum en Matthijs van der Meulen van het Stedelijk Museum Amsterdam. Het project Museumkompas wordt binnenkort (maart 2013) afgerond, en daarom hebben we een tweede werksessie met potentiele gebruikers georganiseerd.

Aanwezigen

Net als bij de eerste werksessie waren Hester Gersonius en Matthijs van der Meulen aanwezig. Inmiddels werkt Matthijs van de Meulen bij een andere organisatie (Q42). Zijn vervanger bij het Stedelijk, Robin Hofland, is echter ook aanwezig. Daarnaast is Charlotte Bosman van het Van Gogh Museum aangeschoven. Al deze personen zijn binnen de musea verantwoordelijk voor (de uitvoering van) het social media beleid.

Vanuit het lectoraat waren de volgende mensen aanwezig:

  • Karen Hilhorst: projectleider Museumkompas;
  • Rogier Brussee: senior onderzoeker;
  • Erik Hekman: promovendus op het gebied van waardecreatie in social media;
  • Thijs Waardenburg: deelprojectleider Crossmedia Monitor Musea.

Inleiding werksessie

Na een voorstelrondje, legt Karen voor de ‘nieuwe’ aanwezigen uit wat het project inhoudt (meer info http://www.museumkompas.nl/). Vervolgens geeft ze toelichting op een ander deelproject, de zogenaamde prestatie indicatoren. De CMM zal namelijk input leveren voor een aantal van deze indicatoren. Karen legt uit dat deze indicatoren een meetlat vormen “die aangeeft in welke mate een missie of een doel gerealiseerd wordt, of in welke mate een succesbepalende factor op orde is”. Het is van belang om te realiseren dat de output van de CMM niet op zichzelf staat, maar samenhangt met andere prestatie indicatoren zoals de ‘onsite’ bezoekersaantallen of klanttevredenheid.

Aansluitend geeft Erik een kort college over de functies van de verschillende social media platforms en de verschillende ‘soorten’ gebruikers. Met de CMM meten we activiteiten van musea op 5 verschillende platforms. Deze zijn niet willekeurig, maar onder andere op basis van functionaliteit gekozen. Zo wordt Facebook primair gebruikt om relaties op te bouwen en te onderhouden. Youtube is daarentegen meer geschikt om (video’s) te delen (welke dan weer besproken kunnen worden met je netwerk op Facebook).

Als laatste inleidende onderdeel van de werksessie bespreekt Thijs het doel en de huidige stand van zaken van de CMM. Hij laat onder meer één van de tools zien die gebruikt wordt om de interne communicatie via Facebook te visualiseren, de zogenaamde ‘data chord’. Het laat zien hoe veel Facebook ‘likes’ musea aan elkaar geven.

Werksessie

Het daadwerkelijk ‘werkgedeelte’ van de sessie bestond uit het handmatig analyseren van Tweets en Facebook posts. Daar voor waren A3-lijsten uitgeprint met een selectie willekeurige, niet-chronologische berichten. Voor Twitter werden voor elk museum ~40 en voor Facebook ~20 berichten afgedrukt[1]. De reden van deze handmatige tekstanalyse is dat het zeer lastig is om teksten automatisch te analyseren. Om toch grip te krijgen op de inhoud van de verschillende berichten die verzonden worden door musea, hebben we besloten om dit dus handmatig te doen. We lieten de musea niet hun eigen berichten analyseren, maar van een ander museum. Voor de werksessie hadden leden van het lectoraat ook een (grotere) selectie van berichten geanalyseerd. Deze werden samengevoegd met de analyses van de musea.

Uitkomst / conclusies

Het eerste dat opvalt is dat zowel de lectoraatleden (LL) als de museummedewerkers van het SM en VGM de meeste Twitterberichten indelen bij ‘dialoog’ en Facebookberichten bij ‘promotie’ (zie Tabel 1). Het AM is daar een uitzondering op. Zowel de LL als HG delen zowel de Twitter- als de Facebookberichten voornamelijk bij ‘promotie’ in.

Platform Gebruikt voor Stedelijk Museum Van Gogh Museum Amsterdam Museum
Facebook Promotie ~84% ~81% ~58%
Dialoog ~4% ~5% ~10%
Anders ~12% ~14% ~32%
Twitter Promotie ~17% ~40% ~72%
Dialoog ~79% ~56% ~17%
Anders ~4% ~4% ~11%

Tabel 1. Uitkomsten van handmatige tekstanalyses. 

Wat daarnaast opvalt bij het AM bij Twitter relatief veel gebruik maakt van de hashtag ‘#020today’ (~29% van de geanalyseerde berichten)[2]. Deze worden door zowel de LL als HG ingedeeld bij de subcategorie ‘collectie/object’.

Per categorie waren een aantal subcategorieën aangegeven. Hierbij viel op dat de meeste FB posts gaan over de collectie en over events.

Aan het einde van deze werksessie werden deze resultaten besproken, waarbij de musea aangaven dat ze zich hier in kunnen vinden. Ze geven echter ook aan dat ze niet zozeer bewust op deze manier communiceren. We bevestigt dit het idee dat Facebook en Twitter op verschillende manier wordt ingezet.



[1] Afhankelijk van de hoeveelheid berichten die op de pagina paste.

[2] Dit is een specifieke hashtag van het AM, de andere twee musea maken hier geen gebruik van.